Blog

De vogel is gevlogen

Geschreven op dinsdag 6 juni 2017

Het zal je maar gebeuren. Kunnen dromen echt waar zijn, terwijl wij denken dat het gewoon een droom was? In dit geval zou je denken van wel.......

Bart sliep nog toen zijn slaapkamerdeur openging. Hij begon wakker te worden toen zijn vader zei:

“ ’t Is tijd.” En was klaarwakker toen zijn vader de slaapkamerdeur weer dichttrok.

Luidruchtig gapend, met wijd geopende mond, sloeg hij de dekens van zich af en stond op.

Hij krabde aan zijn kont terwijl hij naar de badkamer liep. Zijn blaas legend, gaapte hij nog eens flink en krabde in zijn nek. Hij waste zich, poetste zijn tanden en liep terug naar de slaapkamer om zijn kleren aan te doen.

Voor hij dat deed trok hij eerst de gordijnen open en keek naar buiten. De zon lachte hem toe vanuit een wolkeloze hemel. Mooi weer om op het land te werken. Tevreden met die gedachte kleedde hij zich opgewekt aan. Fluitend denderde hij de trap af en stevende recht op de keuken af, waar het ontbijt al op hem lag te wachten. Een stevig ontbijt. Onmisbaar voor het werk dat vandaag verzet moest worden.

Bart, een jonge blonde krullenbol, hield van het werken op het land in Wieringerwaard. Lekker in de buitenlucht. Wind en regen deerden hem niet, maar als de zon scheen, was het werken voor Bart een feest. Hij vond het heerlijk het uiterste te vragen van zijn spieren en zijn lichaam tot zweten toe uit te dagen. Dat kon je dan ook goed zien aan zijn gespierde lichaam. Met mooi weer, zoals vandaag, liep hij met ontbloot bovenlichaam door de akkers. Onkruid wieden, de groenten controleren en de zieke plantjes verwijderen. Dat vond hij prachtig en weet je waarom? Niet vanwege de groenten, maar, en dat zou je misschien niet denken als je hem zou zien, vanwege de vogels en vlinders en bijen en alles wat er op de akkers rondvliegt, kruipt en speelt. Daar kon hij zo ontzettend van genieten, dat hij soms de tijd vergat. Maar nooit zijn werk.

En op een dag als vandaag, waarop de zon uitbundig scheen, zou hij op de akkers vergezeld worden door dieren die aangetrokken werden door de zon en de bewerkte grond. Het ene soort op zoek naar voedsel en het andere uit nieuwsgierigheid.

De rugtas met zijn lunch in de ene hand en in de andere hand een emmer met wat tuinspullen die hij misschien nodig zou hebben, liep hij over de akker, tussen de rijen met plantjes. Halverwege liet hij zijn tas achter en liep toen helemaal door naar het begin van de rij. Algauw was hij verdiept in zijn werk en hij schrok dan ook hevig toen hij in een flits een gele vogel op zijn hoofd af zag komen en er bovenop voelde landen. Met zijn hand ging hij naar zijn hoofd om de vogel die met haar pootje verstrikt was geraakt in zijn krullen te helpen bevrijden.

Hij voelde het hartje van de vogel bonken tegen zijn hand en probeerde haar gerust te stellen.

“Rustig maar, ik wil je alleen maar helpen. Laat mij maar even, dan kun je zo weer verder vliegen.”

Het had effect, hij voelde het hartje wat rustiger worden in zijn hand en even later was ze bevrijd. Omdat hij haar nog steeds vast had en nieuwsgierig was naar deze vogel, hield hij haar voor zijn gezicht om haar eens goed te kunnen bekijken. De vogel en hij keken elkaar aan. Toen hij begon te praten deed ze met een schokje haar kopje opzij. Onbewust deed hij het zelfde. “Wat heb je mooie ogen. Zijn ze groen? Ik ben een beetje kleurenblind, maar ik weet zeker dat ik nog nooit zo’n mooie vogel als jij heb gezien. Ik zal je nu weer vrij laten.” Hij zette de vogel op zijn andere handpalm en verwachtte dat ze weg zou vliegen, maar tot zijn verbazing bleef ze rustig zitten.

“Wil je niet?” Weer zag hij dat ze haar kopje schuin hield, nu de andere kant op. En weer deed hij onbewust hetzelfde. “Ga maar. Je bent vrij. Toe maar.” Hij bracht zijn hand omhoog om haar duidelijk te maken dat ze kon wegvliegen. Hij zag haar eerst aarzelen, maar daarna vloog ze toch op. Alleen om een klein stukje verderop op een paaltje neer te strijken.

“Wat is dat nou?”, zei Bart en deed een paar stappen naar haar toe in de veronderstelling dat ze dan wel weg zou vliegen. Maar ze bleef rustig naar hem zitten kijken. Nu was hij bij haar en weer keken ze elkaar aan. Weer genoot hij van die prachtige ogen. “Ja, volgens mij zijn ze groen. Ik weet het bijna wel zeker. Maar lief vogeltje, ik moet aan het werk. Kijk, al die rijen met plantjes moet ik nakijken.” Hij wees langs de rijen. “En eventuele zieke plantjes moet ik eruit halen. … Ik zou graag hier nog een tijdje bij je blijven, maar ik moet echt verder.” Nog één keer keek hij in haar ogen en glimlachte. Toen stapte hij haar voorbij en ging verder met zijn werk. Hij kon er niets aan doen, maar hij moest af en toe even omkijken. Was ze er nog? En iedere keer als hij omkeek zag hij de vogel ook zijn kant uitkijken. Verbaasd en toch ook weer niet, want die vogel en hij hadden gewoon iets besefte hij, landde ze even later op zijn linkerschouder. Hij keek lachend met een schuin oog naar haar op en genoot toen zij op haar beurt begon te fluiten. Wauw! Wat een gelukkig mens was hij toch. Blij met haar gezelschap ging Bart verder met zijn werk tot zijn maag hem eraan herinnerde dat het lunchpauze was. Hij zocht zijn tas op en haalde een broodje en een flesje water uit de tas. Hij verkruimelde wat brood voor de vogel en goot een beetje water uit de fles in het dopje, zodat ze ook wat te drinken had. En zo gebruikten ze samen de lunch. De rest van de middag brachten ze ook samen door. Hij inspecteerde de plantjes terwijl zij af en toe een rondje vloog om daarna iedere keer weer op zijn schouder terug te landen. Toen werd het tijd voor Bart om te stoppen en naar huis te gaan. Hij raapte zijn spullen bij elkaar en liep naar huis. Nog steeds met de vogel op zijn schouder.

“Moet jij niet ook naar huis? Naar je familie? Heb je eigenlijk wel familie?” De vogel reageerde door vrolijk te fluiten. Bart haalde zijn schouders op en floot vrolijk mee.

Thuis aangekomen pakte Bart de mooie vogel van zijn schouder en zette haar even op een muurtje, zodat hij zijn spullen kon oppakken in de schuur. Maar toen hij uit de schuur kwam was zijn gele vogel gevlogen. Hij zag haar nergens meer. Hij floot, hij keek in het rond, zocht verder, maar de vogel was net zo plotseling verdwenen als ze was verschenen.

Hij bleef buiten tot zijn moeder hem riep dat het diner klaar was. Na het eten was Bart weer buiten en bleef buiten tot het tijd werd om naar bed te gaan.

Boven, in zijn slaapkamer, zette hij het raam wijd en uitnodigend open. De hele nacht.

In haar flat in Hoorn werd Shelly wakker op de klanken van “De vier jaargetijden” van Vivaldi. Ze geeuwde en rekte zich uit met één hand boven haar hoofd. De andere hield ze netjes voor haar mond.

Zo was ze opgevoed.

Uitgerust en nog onder invloed van haar droom, stapte Shelly uit haar bed en liep naar het raam. Ze opende de gordijnen en liet het zonlicht naar binnen stromen. Met een glimlach naar de ontwakende natuur draaide Shelly zich om en begaf zich naar de badkamer voor haar ochtendritueel. Even later keerde ze gekleed terug naar het raam. Ze overpeinsde of ze haar ontbijt buiten op het balkon zou kunnen nuttigen. Of zou het daar nog te fris voor zijn?

Ze moest wel in de schaduw zitten, want haar roomblanke huid kon slecht tegen rechtstreeks zonlicht. Er was maar één manier om daar achter te komen.

Shelly opende de deur naar het balkon en stapte naar buiten. Diep ademde ze de vroege ochtendlucht in. Ze knikte, ja, ze zou buiten ontbijten.

Niet veel later zat ze aan de kleine tafel op haar balkon een licht ontbijtje naar binnen te werken.

Haar gedachten gingen terug naar haar droom. Het was haar niet vreemd om te dromen dat ze kon vliegen, maar dat waren dagdromen. Dan droomde ze hoe het zou zijn om te kunnen vliegen. De vrijheid te hebben te gaan waar je maar wilde zonder ergens rekening mee te hoeven houden. En daar bedoelde ze de zon mee. Doordat haar huid overgevoelig op zonlicht reageerde beperkte dat haar zeer in haar bewegingsvrijheid. Want juist met mooi, zonnig weer, was het een genot om buiten te zijn, de natuur te ontdekken. Heel wat anders, tenminste dat vermoedde Shelly, dan met bewolkt, somber weer. Ze zou andere dieren zien, andere bloemen zien bloeien … dacht ze altijd.

Maar vannacht … wat was dat heerlijk! In haar droom was ze een vogel, een mooie gele vogel en ze vloog over steden en dorpen en velden en landerijen. En ze genoot.

Het was waar wat ze altijd had gedacht. Ze zag andere dieren, andere insecten, andere bloemen die bloeiden. En ook…. Ze gniffelde beschaamd en voelde een blosje op haar wangen komen bij de herinnering aan die fijne blonde krullen, die zij in haar gedaante als vogel niet had herkend. Ze sloeg even de vingers van haar linkerhand verlegen voor haar mond.

Ze was erop af gevlogen om te onderzoeken wat het was. Oh, oh, die arme jongen was zich rotgeschrokken toen zij boven op zijn hoofd belandde. Midden in zijn blonde krullen. En op hetzelfde moment dat hij van haar schrok, schrok zij van hem en had ze door dat die fijne blonde krullen die haar zo hadden aangetrokken, vastzaten aan het hoofd van een jongeman. Ze wilde snel wegvliegen, maar haar ene pootje raakte verstrikt in zijn krullen en ze raakte in paniek. Ze zag zijn grote hand naar haar lijfje gaan en begon nog wilder te fladderen. Haar hartje bonkte als een gek in haar kleine lijfje van angst om wat die grote, sterke hand met haar tere lijfje zou kunnen doen.

Maar toen hoorde ze zijn stem. Ze hield haar kopje schuin om het beter te kunnen horen. Had hij het tegen haar? Ze kon niet verstaan wat hij zei, maar de toon waarop hij het zei en de warmte van zijn stem zorgden ervoor dat haar hartje wat bedaarde.

Zij hielp hem zo goed en zo kwaad als het ging haar pootje uit zijn krullen te bevrijden.

Daarna hield hij haar voor zijn gezicht en keken ze elkaar aan. Zodra hij begon te praten hield ze haar kopje scheef en alsof ze in een spiegel keek deed hij zijn hoofd ook opzij. Plotseling was ze al haar angst kwijt, ze voelde zich volkomen op haar gemak. Toen hij haar dus neerzette op de palm van zijn andere hand zodat ze kon wegvliegen als ze dat wilde, bleef ze rustig zitten. Ze wachtte tot hij weer ging praten. Hij had zo’n prettige stem. Warm, betrouwbaar, sterk. Toen hij inderdaad zijn mond opendeed en weer tegen haar sprak, ging haar hartje op slag sneller slaan. Maar deze keer niet van angst.

Ze was verliefd. Ze hield haar kopje de andere kant op schuin en zag hem hetzelfde doen.

Ze wilde hem zeggen wat een mooie bruine ogen hij had. Ze zou hem door zijn blonde krullen willen aaien. Ze zou … maar dat kon allemaal niet. Zij was een vogel, hij een mens. Een vogel kon toch niet verliefd worden op een mens? Hoe absurd.

Hij hield zijn hand omhoog. Het was een uitnodiging voor haar om weg te vliegen. Plotseling verdrietig deed ze wat van haar werd verlangd, maar alleen om een klein stukje verder op een paaltje te landen en van een afstandje weer naar hem te kijken. En hij keek naar haar.

Ze haalde haar vleugels op alsof het schouders waren en liet ze weer zakken. Hij deed een paar stappen naar haar toe en praatte weer tegen haar. Ze verstond er nog steeds niets van, maar genoot van de klank van zijn stem. Ze bleef rustig zitten tot hij bij haar was. Terwijl hij praatte keek hij langs haar en maakte een gebaar. Wat wilde hij nu zeggen?

Hij was stil en ze keken elkaar lang aan. Toen zuchtte hij diep en liep langs haar heen. Heel langzaam liep hij verder door het veld en bukte regelmatig. Hoe verder hij bij haar vandaan ging hoe eenzamer zij zich voelde. Af en toe keek hij even naar haar om. Stak zijn hand op. Zei iets, dat ze niet kon verstaan en ging weer door. Nee, ze wilde bij hem blijven, besloot ze en vloog op van het paaltje, achter hem aan en landde op zijn linkerschouder. Hij lachte zachtjes en keek met een schuin oog naar haar op. Op haar beurt floot ze zachtjes om hem te vertellen dat ze hem leuk vond en bij hem wilde blijven. Hij zei weer iets en ging toen weer verder met wat hij ook aan het doen was, met haar op zijn schouder. Zo brachten ze samen de dag door. Toen hij pauzeerde om een broodje te eten, kreeg zij wat kruimels. Hij goot wat van zijn meegebrachte water in de dop van zijn fles, zodat zij ook wat kon drinken. Zo lunchten ze samen. Hij deed die middag wat hij moest doen en zij fladderde af en toe een beetje in het rond om iedere keer weer terug op zijn schouder te landen. Als hij iets zei, probeerde ze terug te praten door een deuntje te fluiten. Op een gegeven moment floot hij ook mee. Tot ze bij een groot huis kwamen. De jongen pakte haar van zijn schouder en zette haar op een stenen muurtje, waarna hij door een deur verdween.

Op dat moment drongen de klanken van Vivaldi’s “Vier Jaargetijden” tot haar door en werd ze wakker.

Hier hoort een zonnig recept bij, zoals .....

Limoen- ricotta cake

75 gram boter + extra om in te vetten
170 gram suiker
250 gram ricotta
2 limoenen, rasp en sap
3 eieren, gesplitst
175 gram zelfrijzend bakmeel, gezeefd
Rond bakblik of cakevorm van 22 cm

Bereiding: 

  1. Verwarm de oven voor op 180°C
  2. Vet het bakblik of de cakevorm in of bedek de bodem met ingevet bakpapier
  3. Meng boter en suiker en spatel de ricotta, de limoenrasp en het sap er doorheen
  4. Klop de eierdooiers een voor een door het ricottamengsel
  5. Meng de bloem door het eier-ricottamengsel 
  6. Klop het eiwit stijf en meng door het beslag
  7. Giet het beslag in de cakevorm en laat in 45 minuten mooi bruin en gaar worden

Geplaatst in de categorie fictie met recept

Blogartikel delen op Facebook